Rechtspraak Woonwagenzaken 2010-2015

Gepubliceerd op 6 juli 2018 door Het Wiel

Ik sluit dit jaar af met een kort overzicht van de belangrijkste uitspraken over woonwagens en woonwagenlocaties van de afgelopen vijf jaar. Ik zal diverse soorten uitspraken behandelen.

 

Handhaven bouwvergunningen

Over handhaving is veel te doen geweest. In Waalre is nogal het een en het ander gebeurd. De gemeente heeft daar gemeend handhavend te moeten optreden tegen de bedrijfsloodsen van de bewoners. Loodsen die er overigens al vele jaren stonden en gedoogd werden. Verder was er in Waalre een bijzondere kwestie die te maken had met het al dan niet, zonder toestemming van de bewoners, binnen mogen treden in een woonwagen door ambtenaren van de gemeente. De burgemeester had hiertoe opdracht gegeven en de hoogste bestuursrechter heeft dit goedgevonden.

Hieronder de overwegingen van de rechtbank over het handhaven.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 april 2015 in zaak nr. 201406348/1/A1), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daarvan niet is gebleken. In de gedoogbeschikking is immers ten aanzien van de loods geconcludeerd dat deze illegaal is en dat deze tijdelijk zal worden gedoogd totdat ter plaatse een nieuw bestemmingsplan van kracht zou zijn. In de gedoogbeschikking is voorts uitdrukkelijk het voorbehoud gemaakt dat het tijdelijk gedogen voornamelijk betrekking heeft op de vastlegging van de illegale situatie, dat in het kader van de ruimtelijke en (welstands)technische regelgeving nog geen besluit is genomen en dat een legaliserend bestemmingsplan goedkeuring behoeft van de provincie. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant A] en [appellant B] aan de gedoogbeschikking niet het gerechtvaardigd vertrouwen konden ontlenen dat het college na vaststelling van een bestemmingsplan dat niet in legalisering van de loods voorziet, niet handhavend zou optreden. [appellant A] en [appellant B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat overigens aan het college toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan dat de loods, ongeacht de inhoud van het vast te stellen bestemmingsplan, mocht worden opgericht en in stand gehouden. Uit de verklaringen van W.J.A.M. de Wolff ter zitting van de Afdeling is niet gebleken dat dergelijke toezeggingen zijn gedaan.

Je maakt alleen kans als je kunt aantonen dat de gemeente ondubbelzinnig toestemming verleend heeft. Zo niet dan kan de gemeente ook na vele jaren stilzitten alsnog optreden.

 

Waardebepaling standplaats belastingen

Volgens het Hof Den Bosch is de waarde van een standplaats 50% van de waarde van andere bouwgrond waarop ook huizen gebouwd mogen worden. Zie hieronder de overwegingen.

4.9. Het Hof concludeert uit de door partijen aangedragen gegevens dat niet of nauwelijks sprake is van een markt waarop prijsvorming met betrekking tot de overdracht van woonwagenstandplaatsen tot stand komt. Ter zitting van 11 juli 2011 hebben partijen voorts naar voren gebracht dat belanghebbende evenmin voornemens is de standplaatsen te verkopen aan de huurders omdat zulks uit het oogpunt van beheer van de woonwagencentra ongewenst zou zijn. Naar partijen stelden, hetgeen het Hof geloofwaardig voorkomt, was dat in andere gemeenten niet anders. Gelet op het hiervoor overwogene sluit het Hof zich aan bij het in goede justitie gegeven oordeel van de Rechtbank dat, uitgaande van de waarde van grond van de betreffende wijk met de bestemming “woningbouw”, een aftrek van 50% dient te worden toegepast voor de bepaling van de waarde van de grond met bestemming “woonwagencentrum” welke is gelegen in of aan de rand van de woonwijk dan wel in de onmiddellijke nabijheid van die woonwijk.

 

Woonwagen en juridisch eigendom

Het is al enige jaren duidelijk dat een woonwagen als onroerend goed gezien wordt. Ook is duidelijk dat dit gevolgen heeft in de zin van de natrekkingsregel. Dat laatste houdt in dat de eigenaar van de grond tevens eigenaar is geworden van de woonwagen. Je zou dan kunnen zeggen dat de waarde van de woonwagen dan ook niet zou mogen meetellen bij de vermogenstoets voor bijvoorbeeld een uitkering. Dat is echter niet zo zoals u hierna kunt lezen.

Voor de vraag of onderhavig chalet als onroerend kan worden aangemerkt, acht de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2005, BNB 2005/275, van belang. Daarin is geoordeeld dat ook chaletcaravans op gehuurde grond als onroerend kunnen worden aangemerkt. Als deze chaletcaravans naar aard en inrichting bestemd zijn op langdurig op dezelfde plaats te blijven -hetgeen in het onderhavige geval tussen partijen niet in geschil is-, brengt de enkele omstandigheid dat de chalets zijn geplaatst op gehuurde grond niet mee dat een duurzame plaatsing door de eigenaren niet zal zijn beoogd. Ook kan dit niet leiden tot de conclusie dat het chalet niet duurzaam met de grond is verenigd en derhalve geen onroerende zaak zou zijn. Het standpunt van eiseres, inhoudende dat het chalet geen onroerende zaak is omdat het op gehuurde (woonwagen-) grond staat, dient derhalve verworpen te worden.

  1. Gezien de bovenbeschreven verbintenisrechtelijke aanspraken van eisers op de woonwagen en de op hen rustende risico’s en onderhoudsverplichtingen is de rechtbank van oordeel dat de woonwagen is aan te merken als een bezitting van eisers in de zin van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb. In het midden kan blijven of de situatie al dan niet moet worden aangeduid als economisch eigendom. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 50 van de Wwb ook van toepassing is op woonwagens. Verweerder is dan ook op grond van artikel 50, tweede lid, onder b, van de Wwb gehouden om de bijstand aan eisers te verstrekken in de vorm van een geldlening voor de overwaarde die de woonwagen heeft boven het op grond van artikel 35, tweede lid, onder d, van de Wwb vrijgestelde bedrag van € 48.000.

 

Uitsterfbeleid

Het uitsterfbeleid is al enige tijd een belangrijk onderwerp in diverse procedures. Zo zijn er al diverse uitspraken van het College voor de rechten van de mens waarbij het uitsterfbeleid wordt afgekeurd en als discriminatie wordt gezien. De Raad van State heeft in een zeer recente uitspraak over de gemeente Elburg, met dank aan de heer Goudsmit, bepaald dat de woonwagenstandplaatsen niet zomaar wegbestemd mogen worden. Dat mag alleen als er daadwerkelijk goede argumenten zijn die ontleend worden aan een goede ruimtelijke ordening. De Raad van State merkt uitdrukkelijk op dat andere overwegingen hier geen rol mogen spelen.

In Bergschenhoek had dezelfde Raad van State ook al bepaald dat deze gemeente niet zomaar het aantal standplaatsen mocht verminderen en werd er zelfs een dwangsom aan deze gemeente opgelegd om een nieuw besluit te nemen.

Er loopt op dit moment nog een proefproces over het uitsterfbeleid. Ik hou dat voor u in de gaten en zodra er nieuwe is hoort u dat.

 

Huurbescherming

Het Hof Den Bosch heeft een uitgebreide uitspraak gedaan over de woonwagenwet in relatie tot huurbescherming. Het ging hierbij om een woonwagen op een recreatiepark. Deze woonwagen stond daar al vanaf 1989 en er was in het verleden ooit besloten dat de bewoner behandeld moest worden als ware zij in het bezit van een ontheffing in het kader van artikel 10 van de Woonwagenwet. De staanplaats werd gehuurd van een onderneming. De huur van de plaats was opgezegd. De huurder deed een beroep op huurbescherming. Het Hof wees dat beroep af omdat er geen sprake was van een echte woonwagenstandplaats en er dus ook geen echte huurbescherming bestond. Wel werd er een verhuiskostenvergoeding volgens de normale regels van 5799 euro door het Hof toegekend. Dat vind ik dan weer vreemd. Geen huurrelatie woonruimte maar wel verhuiskosten. Deze uitspraak is van belang voor iedereen die met zijn woonwagen op een camping of recreatiepark staat zelfs als er permanente bewoning wordt toegestaan. Dat zou eventueel wel anders kunnen zijn als je een en ander in de huurovereenkomst opneemt. Het moet dan duidelijk zijn dat je woonruimte huurt die valt onder de bescherming van artikel BW 7:236.

Ik wens u allen fijne feestdagen en een gelukkig en vooral gezond 2016.

door: Sjoerd Jaasma, advocaat woonwagenzaken

* Dit artikel werd eerder geplaatst in Wiel 7-2015

 

Delen op social media

Geef een reactie

Copyright © Het Wiel 2016 - Alle rechten voorbehouden. Het Wiel, Postbus 595, 3700 AN Zeist. Tel. 030-2933863